Het ecolint onderscheidt zeven gebieden:
- ’t Kleine Loopveld
- De oevers van de watergang ten oosten van de Van der Boechorststraat
- De oevers van de watergang ten noorden van de A.J. Ernststraat
- De oevers van de watergangen rondom het Amstelpark e.o.
- De oevers van de watergangen aan de noordzijde van het Gijsbrecht van Aemstelpark
- De westoever van de Amstel
- De groenstrook aan de zuid- en westzijde langs begraafplaats Zorgvlied.
De totale oppervlakte bedraagt 265.900 m². Het ecolint maakt deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) uit het Natuurbeleidsplan.
Het doel van het ecolint is tweeledig. De kwaliteit van de watersystemen in Amsterdam verbeteren; niet alleen de waterkwaliteit, maar ook de oevers en de waterbodem. Daarnaast verbindt het ecolint een aantal groengebieden. Kleine diersoorten kunnen zich zo langs het ecolint van het ene naar het andere groengebied verplaatsen.
Geschiedenis
In 1958 werd begonnen met de aanleg van de wijk Buitenveldert op het veenweidegebied van de Binnendijksche Buitenveldertsche Polder. De aanleg duurde 7 jaar waarbij de grond bouwrijp werd gemaakt door het opspuiten van een 2,5 tot 3 meter dik zandpakket. Door de aanleg en omvorming van een drassig veenweidegebied tot een drooggemalen stadsdeel is een gebied ontstaan met een aantal brede watergangen.
De oevers waren steil tot Waternet in 1994 het initiatief nam tot aanleg van het ecolint. Hierbij werden de oevers van watergangen heringericht. Door beschoeiingen te verwijderen, naar beneden te drukken of de oevers minder steil te maken ontstonden er geleidelijke overgangen van nat naar droog. Deze overgangen boden plaats aan een meer gevarieerde flora en fauna. Hierdoor werden de stadswateren ecologisch gezonder en kwam er meer natuur in de stad.
Wat is er gedaan?
Van de sloot langs de Kalfjeslaan is de zuidoever natuurlijker gemaakt doordat de beschoeiing is verwijderd. In ‘t Kleine Loopveld is een serie poelen gegraven, die via buizen met het noordelijke boeren slootje in verbinding staan. In de poelen leven nu amfibieën en vissen kunnen er paaien. Verder is een aantal Canadese populieren verwijderd. Het hout is blijven liggen en dient als beschutting voor dieren.
Om de kwaliteit van het gebied in stand te houden en te verbeteren moeten er maatregelen worden uitgevoerd, zoals baggeren, verminderen van het aantal populieren en het afvoeren van maaisel.
Om ervoor te zorgen dat dieren van het ene groene gebied naar het andere kunnen trekken zijn er op verschillende locaties, waar het water drukke wegen kruist, in de bruggen en duikers looprichels aangebracht. Verder zijn er uitstapplaatsen gemaakt op plaatsen met steile oevers die niet aangepast konden worden. Onder viaducten zijn stobbenwallen aangebracht. Dat zijn wallen van boomstronken die dekking geven aan kleine zoogdieren zoals muizen.
Welke maatregelen nu?
De grond wordt voedselarmer gemaakt door het afvoeren van maaisel. De planten worden gemaaid of de bovenste laag van de bodem wordt verwijderd wanneer het water in de watergangen niet meer goed doorstroomd. Bij het opschonen (maaien) wordt meestal een strook vegetatie, ongeveer een meter uit de kant, gespaard. Bij het baggeren wordt van kant tot kant gewerkt.
Buitenveldert kent veel oude wilgen en populieren die er niet goed bijstaan. Bovendien zorgen ze voor veel schaduw en bladval. Ecologisch gezien is dit nadelig voor de onderliggende begroeiing. Een groot gedeelte van de populieren en wilgen is al gekapt of wordt nog gekapt.
Monitoren
Om te zien of dieren baat hebben bij alle maatregelen, zijn er vijf 'indicatorsoorten' aangewezen. De indicatorsoorten gebruiken elk een ander deel van het watersysteem en vertegenwoordigen een grotere groep dieren. De vijf soorten zijn: gewone oeverlibel, kleine karekiet, ringslang, snoek en wezel. Deze indicatorsoorten en ook andere flora en fauna zijn in de jaren direct na de aanleg regelmatig gevolgd.
Op de Kalfjeslaan is in 2009 vegetatieonderzoek gedaan naast onderzoeken naar muizen, broedvogels en dagvlinders.
Snoek
Wat betreft de snoek, als indicator van de waterkwaliteit, is er zeker een positieve verandering te zien. Het aandeel snoek, maar ook blankvoorn, baars, ruisvoorn en zeelt is toegenomen. Het grotere aantal snoeken is ook te danken aan het uitzetten van 38 snoeken.
Gewone oeverlibel
De gewone oeverlibel doet het goed in het ecolint maar bleek helaas toch geen goede indicatorsoort. De aanleg van poelen in ‘t Kleine Loopveld is erg gunstig voor libellen geweest. Hier zijn maar liefst 17 soorten libellen gezien waaronder:
Lantaarntje, Houtpantserjuffer, Gewone oeverlibel, Blauwe glazenmaker, Paardenbijter en 2 tot 3 soorten heidelibellen.
Kleine karekiet en bosrietzanger
De kleine karekiet wordt bij het ecolint gezien als vertegenwoordiger van vogels zoals bosrietzanger, waterhoen, meerkoet, fuut en wilde eend. In Buitenveldert heeft de kleine karekiet onder meer geprofiteerd van de aanplant van riet.
Wezel, hermelijn en bunzing
Zowel over aantallen als gebruik van het ecolint door de wezel en hermelijn zijn veel onzekerheden. Beide soorten bewonen stille rommelhoeken in parken, op begraafplaatsen en bij parkeerplaatsen. Ze worden zelden gezien en ze zijn daarom moeilijk te monitoren. In principe zijn alle maatregelen die de muizenstand bevorderen gunstig voor beide soorten. Deze diertjes vormen immers hun voedsel, waarbij moet worden opgemerkt dat de hermelijn vooral ratten eet. De invoering van een extensiever maaibeheer in 't Kleine Loopveld heeft voor veel nieuw muizenbiotoop gezorgd. De veldmuis en de bosspitsmuis hebben hiervan geprofiteerd, net zoals de rosse woelmuis, de dwergmuis en de bosspitsmuis. Het is dus aannemelijk dat dit terrein geschikter als jachtgebied voor zowel de wezel als hermelijn is geworden. In het Amstelpark zijn bevestigde waarnemingen gedaan van zowel wezel als de bunzing en in 2009 heeft de bunzing jongen gekregen in 't Kleine Loopveld.
Ringslang en amfibieën
De ringslang heeft zich na de aanleg van het ecolint niet in Buitenveldert laten zien. De dichtstbijzijnde populatie ringslangen bevindt zich bij de Amstelveense Poel en er zijn klaarblijkelijk teveel barrières. In 't Kleine Loopveld hebben gewone pad, bruine kikker, groene kikker en kleine watersalamander geprofiteerd van de aanleg van poelen in combinatie met minder en gefaseerd maaien. De rugstreeppad lijkt in de loop van de tijd te zijn verdwenen.
Vlinders
De kwaliteit van een gebied kan goed worden afgelezen aan het voorkomen van dagvlinders. Vlinders stellen namelijk duidelijke eisen aan hun leefgebied en zijn gevoelig voor allerlei veranderingen. Vlinders zijn vaak de eerste diergroep die reageren wanneer in een gebied bepaalde planten of structuren verdwijnen. Wanneer een gebied geschikt is voor vlinders is dit meestal ook geschikt voor allerlei andere dieren zoals bijen, hommels, zweefvliegen, amfibieën, vogels, muizen en egels. Vooral het aantal ‘graslandvlinders' (Bruin zandoogje, Icarusblauwtje, Kleine Vuurvlinder en Zwartsprietdikkopje) is gestegen in het ecolint.
Flora
Na de aanleg van het ecolint zijn stekken van oeverplanten aangebracht in een één meter brede strook langs de waterrand. Driekwart van de stekken was riet. De rest bestond uit soorten als kalmoes, grote waterweegbree, zwanebloem, gele lis, mattenbies, grote egelskop, moerasandoorn, en grote lisdodde. Ook zijn er op een aantal plaatsen drijfbladplanten als gele plomp, witte waterlelie en watergentiaan uitgezet. Daarnaast is op sommige oevers een kruidenmengsel ingezaaid, waarin onder anderen zaad zat van de grote kattenstaart.
Volgens de monitoring blijken veel van de aangeplante stekken het niet hebben overleefd. Dit geldt ook voor het riet, waarvan verreweg de meeste stekken geplant zijn. Op plaatsen waar het riet zich wel gevestigd heeft doet de soort het zeer goed, evenals de grote kattenstaart. Kalmoes, gele lis en moerasandoorn komen veel voor en groeien meestal goed. Grote egelskop en grote lisdodde komen redelijk vaak voor. De grote lisdodde is plaatselijk dominant. Grote waterweegbree is zeldzaam maar doet het goed. Mattenbies is op veel plaatsen verdwenen en groeit matig. Zwanebloem is nog maar op enkele locaties terug te vinden, maar doet het daar goed. Liesgras is niet aangeplant maar komt in het ecolint zeer veel voor. De soort geeft aan dat het water van het ecolint zeer voedselrijk is.
Toekomst ecolint
In de komende jaren zal het ecolint in Zuid zich ontwikkelen tot een duidelijk en ononderbroken verbindingslint tussen diverse grote groengebieden in de stad Amsterdam. Ook het Gijsbrecht van Aemstelpark speelt hierin een belangrijke rol als robuuste groene verbinding.
Het ecolint blijft een geschikt leefgebied voor minimaal vier van de aanwezige indicatorsoorten (snoek, gewone oeverlibel, kleine karekiet en wezel). Op de ringslang zal niet worden gestuurd, wel op de hoofdmoot van zijn voedsel: amfibieën. Daarnaast zullen onderdelen geschikt worden gemaakt voor enkele streefsoorten die meer eisen aan hun omgeving stellen.
Voor de flora geldt het verder verschralen van de graslanden en oevers ten gunste van de soortenrijkdom en bloeiende soorten.
Ook zal het beheer zich richten op het ontwikkelen van meer structuur en gradiëntrijke overgangen bij bosplantsoen en beplantingsvakken. Naast de boomlaag zal zich ook een kruid- en struiklaag en een mantel- of zoomvegetatie ontwikkelen. Meer gradiënten zijn gunstig voor de biodiversiteit.
Wandelen, fietsen en schetsen
Langs het ecolint kan gewandeld, gefietst, geschetst of geschilderd worden. Er staan voorlichtingsborden met specifieke informatie over het ecolint en haar bewoners.